Oudere werknemer kan (weer) bij Hof Den Bosch terecht voor een redelijke ontslagvergoeding, maar het geld gaat vooral naar de advocaat

Goed nieuws voor oudere werknemers die via een UWV-procedure zijn ontslagen en die een ontslagvergoeding willen afdwingen bij de kantonrechter: de laatste tijd verschijnen er steeds meer uitspraken die m.i. prima aanknopingspunten bieden voor een redelijke ontslagvergoeding in geval van bedrijfseconomisch ontslag. Een recent arrest van het gerechtshof in Den Bosch (22 januari 2013, LJN: BY9452) is daarvan een goed voorbeeld. Wel jammer dat de werknemer in die zaak door een kansloos hoger beroep waarschijnlijk de helft van zijn ontslagvergoeding kan inleveren bij de advocaten…..

Rechtspraak over kennelijk onredelijk ontslag en kantonrechtersformule

Even vooraf: het gaat hier dus om ontslagen via de UWV-procedure waarin de werknemer probeert via een zgn. procedure op grond van “kennelijk onredelijk ontslag” bij de kantonrechter alsnog een ontslagvergoeding te krijgen. De andere ontslagroute in Nederland is de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, waarin meestal de kantonrechtersformule als richtlijn geldt voor het bepalen van een ontslagvergoeding. Werknemers die via de UWV-procedure ontslagen worden, blijken in de praktijk veel minder vaak een ontslagvergoeding te krijgen. En áls dat al lukt, dan is die vergoeding in verhouding meestal veel lager dan de vergoedingen die in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter in vergelijkbare gevallen worden toegekend.

Deze rechtsongelijkheid is veel juristen in de wereld van het arbeidsrecht (waaronder ikzelf) al jarenlang een doorn in het oog, maar zij bestaat helaas nog steeds. Het is een gevolg van het feit dat we in Nederland nog steeds met een hopeloos ouderwets ontslagrecht zitten, waarin de werkgever vrij kan kiezen tussen twee ‘ontslagroutes’ waarvoor totaal verschillende regels gelden.

In mijn praktijk heb ik het bijvoorbeeld meegemaakt dat bij een bedrijfseconomisch ontslag van meerdere werknemers van één bedrijf de OR-leden gewoon de kantonrechtersformule meekregen (omdat OR-leden vanwege een wettelijk regeltje alleen via de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter kunnen worden ontslagen) terwijl de overige werknemers, die via de UWV-procedure werden ontslagen, helemaal niets kregen. Ook een procedure op grond van kennelijk onredelijk ontslag (k.o.o) bij de kantonrechter en daarna in hoger beroep bij het Hof Den Bosch leverde de via het UWV ontslagen werknemers niets op: het waren nu eenmaal verschillende procedures en die moesten verschillend beoordeeld worden. Dat de feitelijke situatie van alle ontslagen werknemers binnen het bedrijf niet verschilde, was voor deze rechters kennelijk niet van belang.

Helemaal eerlijk is dat verwijt aan de rechters ook weer niet, want uiteindelijk is het natuurlijk de wetgever die dit soort onrechtvaardigheden in de wet dient op te lossen. Het zou deze rechters echter wel hebben gesierd om de rechtsongelijkheid te erkennen en er (inderdaad: in de uitspraak) op te wijzen dat de wetgever hier verantwoordelijk voor is. In dat opzicht vind ik sommige k.o.o.-uitspraken nog steeds een beetje laf.

Hoewel de wetgever tot op heden volledig verstek laat gaan, is er (mede daardoor?) inmiddels toch wel wat veranderd. Zo was daar als eerste het baanbrekende en m.i. nog steeds prijzenswaardige arrest van het Hof Den Haag in 2008, waarin een dappere poging werd gedaan om de richtlijnen m.b.t. de kantonrechtersformule met enige aanpassingen ook in k.o.o.-zaken te hanteren. Daarna volgden in 2009 arresten van drie andere gerechtshoven, die gezamenlijk weer met een andere variant kwamen. En hoewel alle gerechtshoven dus niet exact op één lijn zaten, vonden ze allemaal wel dat er eindelijk wat moest gebeuren aan de rechtsonzekerheid over ontslagvergoedingen. Volkomen terecht natuurlijk, want het was wel duidelijk dat wachten op de wetgever gewoon geen zin had.

Maar toen kwam de Hoge Raad, die in 2009 en 2010 al die heldhaftige pogingen van de gerechtshoven weer de grond in boorde door te oordelen dat alles (lees: de rechtsonzekerheid en – ongelijkheid) gewoon bij het oude behoorde te blijven. En dat is nog steeds de stand van zaken in ontslagvergoedingenland: de wetgever doet niets, de rechters (mogen) doen wat ze willen en de werknemer weet nog steeds niet waar hij/zij aan toe is.

Uitspraak Hof Den Bosch

Tegen die achtergrond zijn uitspraken zoals die van het Hof Den Bosch op 22 januari jl. (LJN: BY9452) voor oudere werknemers m.i. erg welkom. Niet dat daarmee aan alle rechtsongelijkheid een eind komt, maar het geeft toch wel een aardig inkijkje in de huidige denkwereld van het Hof Den Bosch en heeft daarmee indirect invloed op  de oordelen van kantonrechters die onder dat gerechtshof vallen.

Het ging hier om een 57-jarige man die na een 10-jarig dienstverband om bedrijfseconomische redenen werd ontslagen. De werkgever wilde helemaal geen vergoeding betalen, maar de kantonrechter kende € 20.000 toe in de door de werknemer gestarte k.o.o.-procedure (iets minder dan de helft van de kantonrechtersformule). Dit vond de werknemer te weinig, en hij ging in hoger beroep bij het Hof. Ook de werkgever stelde (zgn. ‘incidenteel’) beroep in; hij wilde nog steeds helemaal niets betalen. Het Hof oordeelde uiteindelijk dat een vergoeding van € 20.000, zoals door de kantonrechter was toegekend, inderdaad redelijk en passend was.

Het bijzondere (en m.i. goede) van de uitspraak is dat het Hof vrij gemakkelijk concludeert dat het ontslag kennelijk onredelijk is: het enkele feit dat de werknemer een slechte arbeidsmarktpositie heeft maakt het bedrijfseconomische ontslag zonder toekenning van een vergoeding in dit geval al kennelijk onredelijk. Opmerkelijk daarbij is dat de werknemer deze slechte arbeidsmarktpositie voor een deel ook nog aan zichzelf had te wijten, omdat hij in het verleden door de werkgever aangeboden cursussen niet heeft willen volgen. Het Hof heeft hier ook rekening mee gehouden, maar overwoog tevens dat de werkgever dan weer valt te verwijten dat deze niet verder bij de werknemer heeft ‘aangedrongen op verbreding van kennis en vaardigheden tijdens het dienstverband.’

Ook het feit dat de werkgever de werknemer gedurende de laatste 4 maanden van het dienstverband heeft vrijgesteld van werkzaamheden vond het Hof sympathiek, maar lang niet voldoende. Tot slot maakt het Hof in deze uitspraak nog duidelijk dat de stelling van een werkgever dat deze helemaal geen vergoeding kan betalen niet snel gehonoreerd zal worden. In dit geval ging het weliswaar slecht met het bedrijf (vandaar ook het ontslag), maar omdat er volgens de prognose in het komende jaar een – kleine – winst van € 70.000 werd verwacht, kon er best een vergoeding betaald worden. Het Hof formuleert dit erg fraai: “De verbetering van de financiële positie van de werkgever mag dan ook (voor een deel) aan de werknemer ten goede komen.” Met andere woorden: als je een werknemer ontslaat om (meer, of weer) winst te maken, dan is het redelijk om een gedeelte van die winst te gebruiken voor een ontslagvergoeding voor de werknemer.

Dit is m.i. een uitspraak waarmee oudere werknemers (en hun juristen) in geval van bedrijfseconomisch ontslag prima uit de voeten kunnen. De werknemer krijgt weliswaar niet de volledige kantonrechtersformule (hij krijgt iets minder dan de helft), maar dat is ook niet zo vreemd. Zo heeft de kantonrechtersformule als uitgangspunt dat er geen opzegtermijn in acht wordt genomen, terwijl in dit geval de werknemer zelfs gedurende een periode van bijna 4 maanden (waarvan 3 maanden opzegtermijn) volledig doorbetaald thuis heeft gezeten. Dan is er nog het feit dat werknemer de aangeboden cursussen heeft geweigerd, en was de financiële positie van de werkgever allesbehalve rooskleurig.

Kennelijk onredelijk gedrag van de advocaat?

Al met al maakt dat de toegekende vergoeding van € 20.000 in dit geval alleszins redelijk, zeker ook gelet op de jurisprudentie over kennelijk onredelijk ontslag in vergelijkbare gevallen. Het is m.i. dan ook volkomen onbegrijpelijk waarom de werknemer überhaupt in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de kantonrechter, die immers ook al €20.000 toekende. Een duur geintje, want dat – verloren – hoger beroep kost de werknemer alleen al ruim € 5.000 aan advocaatkosten van de werkgever. Daar komen de kosten van de eigen advocaat nog bij. Zo blijft er per saldo weinig over van de toegekende ontslagvergoeding.

Ik mag dan ook hopen dat de advocaat van de werknemer haar cliënt uitdrukkelijk heeft gewezen op het – m.i. levensgrote – risico van deze kostenveroordeling en hem dringend heeft geadviseerd om niet in hoger beroep te gaan. De vordering van de (advocaat van de) werknemer in hoger beroep doet echter het omgekeerde vermoeden: tegen alle richtlijnen en rechtspraak over dit onderwerp (en elk gezond verstand) in wordt namelijk vergoeding gevorderd van alle inkomensschade tot de werknemer 65 is. Het gaat hier dan – schrik niet – om een bedrag dat tegen de € 200.000 loopt. Hoe je als advocaat met droge ogen zoiets kunt vorderen in een zaak als deze gaat mijn bevattingsvermogen volledig te boven.

Maar wellicht zie ik iets over het hoofd en/of liggen de zaken toch anders dan uit het arrest van het Hof valt af te leiden. Vandaar dat ik de advocaat in kwestie de kans heb geboden om eventuele onjuistheden in mijn verhaal recht te zetten. Ik ben benieuwd. Hoe dan ook, we kunnen de advocaat – ironisch genoeg – dankbaar zijn dat ze in hoger beroep is gegaan, want daardoor heeft de k.o.o.-jurisprudentie er weer een aardige uitspraak bij.

Update 21-1-2014: ik heb nooit meer iets van de advocaat gehoord.

 

Comments are closed.