Een uitspraak zonder motivering is als een huis zonder fundering

In mijn vorige stukje kraakte ik een harde noot over de kwaliteit van een uitspraak van de Haarlemse kantonrechter Veenhof. Dat was geen zaak van mezelf, maar gewoon een willekeurige uitspraak die ik op internet was tegengekomen. Helaas heb ik er nu eentje die in mijn eigen kast hangt……..

Voorgeschiedenis:

Werkgever dient een ontbindingsverzoek in wegens disfunctioneren en veelvuldig te laat komen. Eind maart 2013 is de zitting. De Delftse kantonrechter mr. Van Leeuwen maakt geen woord vuil aan het disfunctioneren en ontbindt bij – uiterst summiere – beschikking van 4 april 2013 de arbeidsovereenkomst per 5 april 2013 op grond van een dringende reden. Zonder hier onnodig in detail te treden kan deze uitspraak op – blijkens de uitspraak ook voor de kantonrechter zelf – essentiële punten gewoon evident onjuist genoemd worden, dit los nog van het ontbreken van een deugdelijke motivering. Eén detail nog: werkgever geeft al eind januari 2013 aan de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden te willen laten ontbinden, maar laat de werknemer t/m de ontbindingszitting eind maart 2013 nog wel gewoon doorwerken.

De gemachtigde van de werkgever (mr. Noordenbos van het Juridisch Centrum) aarzelt geen moment en maakt namens werkgever onmiddellijk aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding op grond van art. 7:677 lid 3 jo 7:680 lid 1 BW, onder meer stellende:

1)         Het oordeel van de kantonrechter in de ontbindingszaak m.b.t. de aanwezigheid van een dringende reden heeft gezag van gewijsde en is dus onaantastbaar;

2)         Voor de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding is bepalend de opzegtermijn die de werkgever in acht had moeten nemen. Op grond van de duur van de arbeidsovereenkomst is dit 2 maanden;

3)         Daarnaast is art. 7:672 lid 1 BW van toepassing (opzegging tegen het einde van de maand); nu de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden per 5 april 2013 bedraagt de gefixeerde schadevergoeding het loon over de periode 5 april 2013 tot 1 juli 2013.

Aldus vordert de werkgever bijna 3 maanden loon als gefixeerde schadevergoeding: een bedrag van meer dan € 10.000 (hoewel de werknemer netto natuurlijk een veel lager loon ontvangt, moet hij wel gewoon het volledige brutoloon als schadevergoeding betalen; dat heeft m.i. op zichzelf ook al iets onredelijks). Uiteraard wordt een gedeelte van dit bedrag d.m.v. verrekening met de eindafrekening al ‘verzilverd’ door de werkgever, en voor de rest wordt de werknemer bij niet-betaling een nieuwe procedure in het vooruitzicht gesteld.

Die komt er. M.b.t. de hierboven genoemde stellingen 1 t/m 3 van de werkgever voer ik namens de werknemer het volgende aan:

1)         Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een oordeel van de kantonrechter m.b.t. de aanwezigheid van een dringende reden in een ontbindingsbeschikking juist géén gezag van gewijsde heeft, zie b.v. HR 16 april 1999, JAR 1999/104: “Naar vaste rechtspraak wettigt de aard van de procedure zoals geregeld in art. 1639w (oud) BW niet te aanvaarden dat in een volgend geding bindende kracht toekomt aan een beslissing als hier aan de orde. Het stond de rechtbank dus vrij een zelfstandig – en van de ontbindingsbeschikking afwijkend – oordeel te geven over de geldigheid van het ontslag op staande voet.”

2)         Gelet op de alom beschikbare jurisprudentie waaruit het tegendeel blijkt is het standpunt dat de opzegtermijn van de werkgever moet worden gevolgd volkomen tegen beter weten in.

3)         Ten onrechte wordt de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding gebaseerd op het loon over de periode 5 april 2013 tot 1 juli 2013. Er ís in dit geval immers helemaal niet opgezegd. Het standpunt dat de ontbindingsdatum als een soort ‘opzeggingsdatum’ dient te worden gezien is helemaal nergens op gebaseerd; het vindt ook geen enkele steun in de wet en/of jurisprudentie.   

In het uiteindelijke vonnis maakt de kantonrechter (mr. Frinking uit Gouda) opvallend weinig woorden vuil aan deze punten. M.b.t. punt 2) is dat ook nog wel te begrijpen, maar bij de overige twee gaat hij veel te kort door de (m.i. ook nog eens verkeerde) bocht:

1)         Met verwijzing naar de tekst van art. 7:677 lid 3 BW oordeelt te kantonrechter: “Met [werkgever] is de kantonrechter van oordeel dat het feit dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden wegens een dringende reden met zich meebrengt dat [werknemer] schadeplichtig is geworden, indien hij deze reden door opzet of door schuld heeft gegeven. Dit betekent dat de kantonrechter thans niet meer toekomt aan beoordeling of sprake is van een dringende reden, maar nog slechts aan de beoordeling of [werknemer] deze dringende reden door schuld of opzet heeft gegeven.” Dat is alles. Hoe dit standpunt zich verhoudt tot de door mij aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad (en/of de bedoeling van de wetgever) wordt door de rechter niet beantwoord; hij laat dat verweer volkomen onbesproken.

2)         De rechter volstaat m.b.t. de vraag of i.c. de opzegtermijn van de werkgever of de werknemer geldt met verwijzing naar Rb. Groningen 16 oktober 1998, JAR 1998, 249. Dat is in dit geval m.i. ook wel genoeg.

3)         De kantonrechter overweegt t.a.v. dit punt alleen: “Ten slotte is de kantonrechter van oordeel dat de termijn begint te lopen vanaf de datum van ontbinding.” Meer niet. Waarom de kantonrechter dat vindt, en waar dit in de wet (en/of jurisprudentie) dan is te vinden vertelt hij er niet bij.

Ik vind het onaanvaardbaar dat een kantonrechter bij zulke essentiële juridische vraagstukken weigert zijn standpunt deugdelijk te motiveren en zelfs niet eens ingaat op hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd.

M.b.t. punt 1) had van de rechter toch op z’n minst mogen worden verwacht aandacht te besteden aan de door mij aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. Immers: het standpunt van de kantonrechter impliceert dat een werknemer die daadwerkelijk op staande voet wordt ontslagen tot aan de Hoge Raad kan procederen over de aan de gefixeerde schadevergoeding ten grondslag liggende dringende reden, terwijl een werknemer wiens arbeidsovereenkomst toevalligerwijs (hij heeft daar immers geen enkele invloed op) op grond van een dringende reden wordt ontbonden door de kantonrechter daarna geen enkele mogelijkheid meer heeft om tegen het oordeel van die dringende reden op te komen en aldus aan de gefixeerde schadevergoeding te ontkomen. Dat lijkt toch bepaald in strijd met de overwegingen van de Hoge Raad in de aangehaalde uitspraak.  

Ironisch genoeg gaat het dan ook nog eens vaak om situaties (zoals in dit geval) waarin de werkgever het niet helemaal niet aandurft om de werknemer daadwerkelijk op staande voet te ontslaan en hem gewoon tot de ontbindingsbeschikking laat doorwerken. Zoals ik in deze procedure ook nog heb aangevoerd verhoudt zich dat toch wel heel erg ongelukkig tot de ratio van de gefixeerde schadevergoeding, die immers primair een vergoeding beoogt te zijn voor het feit dat de wederpartij van de schadeplichtige geconfronteerd wordt met een eerder einde van de arbeidsovereenkomst dan waarmee partijen op grond van de geldende opzegtermijnen altijd al rekening hebben te houden. Maar zoals gezegd: geen woord over dit alles van de kantonrechter. Tja.

Dan punt 3). Dat slaat m.i. alles. Om maar eens een juridisch cliché te gebruiken: zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de ontbindingsdatum als een soort ‘opzeggingsdatum’ zou moeten worden gezien, al helemaal niet in het licht van de – hiervoor reeds aangehaalde – ratio van de gefixeerde schadevergoeding. Overigens vermoed ik dat de kantonrechter de WW-regeling van de fictieve opzegtermijn in zijn achterhoofd had, maar het niet aandurfde om dit ook op te schrijven. Terecht, want dat zou natuurlijk als een tang op een varken slaan. Echter, gewoon maar iets in het wilde weg roepen staat ook wel slordig meneer Frinking…… 

Al met al krijg ik met dit soort uitspraken toch steeds minder respect voor de hedendaagse kantonrechtspraak. Het zal vast ook te maken hebben met de toenemende werkdruk van de rechters (in dit geval scheelde het de rechter het – moeten – lezen van een enorme stapel processtukken), maar dat is hooguit een verklaring en zeker geen excuus.

Een goed en evenwichtig gemotiveerde uitspraak is geen luxeproduct, maar een basisvoorwaarde voor een deugdelijk functionerend rechtssysteem. Uitspraken zoals deze leiden niet alleen tot uitholling daarvan, maar tevens tot onnodige maatschappelijk kosten (waaronder die van hoger beroep). Met de huidige bezuinigingsijver van minister Teeven valt vooralsnog niet te verwachten dat dit in de toekomst beter wordt, sterker nog: recente signalen zoals deze vanuit de rechtspraak zelf doen zelfs het omgekeerde vrezen.

Wordt dus – helaas – vervolgd…….

Comments are closed.