De wondere wiskunde van kantonrechter Veenhof. Dus.

Eens in de zoveel tijd kom je een uitspraak tegen waarvan je denkt: lees ik dit nu goed, staat dat er echt? Onlangs stuitte ik er weer op zo eentje. Lees mee en ontdek welke logica deze kantonrechter van achter zijn toetsenbord tevoorschijn toverde.

De werknemer, 61 jaar oud, 34 jaar in dienst, was wegens bedrijfseconomische omstandigheden ontslagen via een UWV-procedure. Omdat de werkgever weigerde enige vorm van vergoeding toe te kennen, startte de werknemer een procedure op grond van kennelijk onredelijk ontslag (k.o.o.). Deze procedure kenmerkt zich (helaas nog steeds) door een extreem hoog ‘natte vinger-gehalte’ van de vonnissen en de bijbehorende rechtsonzekerheid en -ongelijkheid. Ik schreef er hier al eerder een stukje over.

Hoe dan ook, de kantonrechter kwam in zijn vonnis tot de volgende opsomming van door de werknemer aangevoerde argumenten waarom het ontslag kennelijk onredelijk was:

a) zijn leeftijd (61);

b) de duur van het dienstverband (34 jaar);

c) de eenzijdigheid van het dienstverband;

d) zijn kansen op de arbeidsmarkt;

e) het achterwege blijven van prijscompensatie;

f) de vermindering van het aantal werkuren per week;

g) het ontbreken van de gelegenheid om elders te solliciteren;

h) het ontbreken van outplacementbegeleiding;

i) het ontbreken van een vergoeding;

j) zijn inkomensachteruitgang als gevolg van het ontslag.

Zeker sinds de k.o.o.-jurisprudentie van de Hoge Raad in de afgelopen paar jaar is een dergelijke waslijst aan argumenten om het ontslag kennelijk onredelijk te achten zeer gebruikelijk, maar steevast wordt door rechters het meeste gewicht toegekend aan de kansen van de werknemer op de arbeidsmarkt (waarbij leeftijd en eenzijdigheid dienstverband een belangrijke rol spelen), scholingsmogelijkheden, de inkomensachteruitgang en lengte dienstverband.

Zo niet bij deze kantonrechter. Hij loopt het lijstje nogal mathematisch af en overweegt:

“De onder 4 a) t/m c) genoemde omstandigheden staan op grond van de wederzijdse stellingen naar het oordeel van de kantonrechter vast. In het licht van die omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de kansen van eiser op de arbeidsmarkt, onder 4 onder d) genoemd, in het huidige economische bestel zeer gering zijn.”

“Met betrekking tot de onder 4 onder i) vermelde omstandigheid geldt dat het enkele feit dat eiser zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, in het algemeen nog geen grond oplevert voor het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Er moet dus naast de onder 4 onder a) tot en met d) genoemde omstandigheden meer zijn om van kennelijke onredelijkheid te kunnen spreken.”

Pardon meneer Veenhof, “dus”? Hoezo “dus”? Wat is er opeens gebeurd met uw vaststelling van zojuist dat de kansen van de werknemer op de arbeidsmarkt zeer gering zijn? Voor vrijwel alle kantonrechters (en gerechtshoven) is dat “meer” juist dáárin gelegen, en u verzwijgt dat onderwerp gewoon?

Inderdaad, kantonrechter Veenhof maakt er ook verder in het vonnis geen woord aan vuil:

“Dat meerdere moet dan zijn gelegen in de onder 4 onder e), f), g), h) en j) vermelde omstandigheden…….”, etc. Volgt uiteindelijk afwijzing.

Tja, dan houdt het op natuurlijk. Zelfs een eerstejaars rechtenstudent die het vak argumentatie nog niet heeft gehad ziet, in willekeurig welke kennelijke staat hij ook verkeert, dat deze redenering niet klopt. En zoals gezegd: het gaat hier om het voor de meeste rechters in Nederland juist belangrijkste argument in k.o.o.- procedures, dat door deze kantonrechter feitelijk gewoon onbesproken wordt gelaten.

Sterker nog: bij de grote meerderheid van de rechters in Nederland (waaronder zeker ook de gerechtshoven in hoger beroep) zou deze werknemer wel een vergoeding hebben gekregen. Wellicht niet de hoofdprijs, maar in ieder geval iets. Extra zuur is daarbij te bedenken dat, als de huidige kabinetsplannen voor het ontslagrecht al zouden zijn ingevoerd, deze werknemer ook gewoon een ontslagvergoeding zou hebben gekregen (ca. € 50.000).

Helaas voor deze werknemer zijn de kabinetsplannen nog geen wet en had hij ook nog eens de pech om tegen uitgerekend deze kantonrechter aan te lopen die zich er met dit broddelwerk van af heeft gemaakt. Het zal ongetwijfeld een aardige en – doorgaans – capabele man zijn, deze meneer Veenhof (ik heb ook genoeg prima, weloverwogen uitspraken van hem voorbij zien komen), maar voor dit vonnis zou hij zich m.i. diep moeten schamen.

Daar koopt de werknemer echter niets voor. Die zit zonder een cent vergoeding thuis met een vonnis waar geen touw aan vast te knopen valt en dat evenmin in overeenstemming is met zowel de heersende lijn in de jurisprudentie als met de wens van de wetgever.

Zo krom kan recht zijn. Dus.

 

        

 

 

Comments are closed.