7:685 BW, krokodillentranen en pleitnota’s

Vanaf het moment dat ik (zo’n 15 jaar geleden) begon met de juristerij op het gebied van het arbeidsrecht tot op heden heb ik altijd gevonden dat er heel veel te zeggen valt over de ontslagprocedure via het UWV,  behalve iets goeds. In een later artikeltje kom ik daar ongetwijfeld nog wel op terug (in de nieuwe kabinetsplannen wordt het er nl. waarschijnlijk niet veel beter op), maar nu wil ik het even hebben over die andere ontslagroute: de ontbindingsprocedure via de kantonrechter.

Hoewel die procedure een behoorlijk aantal voordelen kent t.o.v. de UWV-route (vooral natuurlijk de mondelinge behandeling en de vergoedingsmogelijkheid), is er ook nog wel het e.e.a. op aan te merken. In dit stukje wil ik daar één voorbeeld uitlichten: het feit dat de verwerende partij steevast minimaal met 2-1 en vaak zelfs met 3-1 achter staat op het moment dat de mondelinge behandeling begint.

“Hoezo dan?”, vroeg  – nota bene – een kantonrechter me ooit op een cursus toen ik dit onderwerp ter sprake bracht, “de verzoekende partij dient een verzoekschrift in, de verweerder een verweerschrift en dan is het toch 1-1?” Natuurlijk wist die kantonrechter ook wel beter, maar ja, de oplossing is zo lastig dat ontkenning van het probleem de gemakkelijkste weg is. M.i. verdient dit probleem echter meer aandacht dan dat.

Het lijkt inderdaad simpel en eerlijk: allebei 1 schriftelijk stuk en de zaak komt op zitting. Probleem is echter dat, omdat het verweerschrift ‘ten behoeve van een zo efficiënt mogelijk debat op de zitting’ op verzoek van de kantonrechter ook op voorhand aan de wederpartij dient te worden gestuurd, deze wederpartij (verzoeker dus) de mogelijkheid heeft om aan de hand van het op voorhand toegestuurde verweerschrift de mondelinge behandeling veel beter voor te bereiden dan verweerder, die op zijn beurt maar moet wachten waar de verzoeker allemaal mee komt op de zitting.

Maar – het zal niet verbazen- dat is niet alles. Beide partijen mogen nl. op de zitting ook een pleitnota aan de kantonrechter overleggen, die dan onderdeel uitmaakt van het procesdossier waarop de kantonrechter haar/zijn beslissing baseert (lees: de kantonrechter kan al deze stukken in de 2 weken tussen de zitting en de uitspraak dus nog eens even rustig nalezen). En dan wordt het probleem al wat meer duidelijk: verzoeker kan op basis van het op voorhand ingediende verweerschrift nog een weloverwogen 2e schriftelijke reactie opstellen in de vorm van een pleitnota, maar verweerder heeft die mogelijkheid niet. Die moet afwachten tot de zitting om de inhoud van de pleitnota van verzoeker te horen te krijgen en dan  – ook nog eens zonder de mogelijkheid van overleg tussen cliënt en gemachtigde – zo goed en zo kwaad als het gaat direct mondeling op dit verhaal reageren. Dit alles in de hoop dat de griffier het allemaal netjes en correct opschrijft (hetgeen vaak niet het geval blijkt).

En zelfs dan zijn we er nog niet. Het is nl. bijna vaste prik dat verzoeker aan de hand van het op voorhand ingediende verweerschrift vlak vóór de zitting tot zelfs op de zitting nog een aantal aanvullende producties in het geding brengt (waaronder niet zelden ook schriftelijke getuigenverklaringen). Bij voorkeur – althans dat is mijn ervaring – vindt toezending van die stukken aan de kantonrechter en verweerder niet eerder dan een dag vóór de zitting plaats, zodat verweerder nauwelijks nog gelegenheid heeft om hierop te reageren (bijvoorbeeld d.m.v. tegenbewijs).

Kantonrechters staan dit standaard gewoon toe; hooguit zullen ze soms voor de vorm een beetje tegensputteren als de stukken pas op de zitting zelf worden overgelegd. Weigeren van die stukken is vrijwel nooit aan de orde. Aldus staat de verweerder in zo’n ontbindingsprocedure vrijwel altijd met 2-1 achter qua ‘schriftelijke rondes’ en kan je daar als het gaat om bewijsnadeel vaak zo nog een puntje voor de verzoeker bijtellen.

Je zou je kunnen afvragen of dit probleem in de praktijk ook daadwerkelijk veel voordeel resp. nadeel oplevert en dit door partijen ook als zodanig wordt ervaren. Ik denk dat dit het geval is. Het m.i. beste bewijs hiervoor is wel het feit dat, als ik mijn verweerschrift erg laat of zelfs niet indien (je bent nl. als verweerder formeel niet verplicht een verweerschrift op voorhand in te dienen), ik steevast een nogal verwijtend toongezet telefoontje van de gemachtigde van de wederpartij krijg met de vraag waar het verweerschrift blijft. Ik antwoord dan meestal nogal laconiek dat ik dat nog niet weet. Als men dan gepikeerd reageert (hetgeen vaak het geval is) wil ik ook nog wel eens de – uiteraard louter ludiek bedoelde – voorwaarde stellen dat (de gemachtigde van) verzoeker mijn dan ook vóór de zitting nog een kopie van de pleitnota stuurt…

Maar ach, ik begrijp het wel. Het is prettig om op voorhand al de reactie van de wederpartij te ontvangen en daar dan nog uitgebreid op de te kunnen reageren op een manier die het jouw wederpartij moeilijk maakt om dáár nog tijdig en adequaat op te reageren. Zeker nu verdere bewijslevering doorgaans niet mogelijk is in de ontbindingsprocedure en hoger beroep uitgesloten, kan dit de verzoekende partij immers een aanzienlijk processueel voordeel opleveren.

De hiervoor genoemde kantonrechter steekt m.i. dan ook zijn kop in het zand door dit niet te (willen) onderkennen, net zoals de gemachtigde van de wederpartij die klaagt over het uitblijven van het verweerschrift – om in dezelfde sfeer te blijven qua beeldspraak – wat mij betreft krokodillentranen huilt.

Maar, hoe los je dit op? Extra schriftelijke rondes? Striktere termijnen? Lastig. Het blijft immers een procedure die zowel op snelheid gericht is (binnen 8 weken een uitspraak) als op een definitieve beslissing (geen hoger beroep), en er valt m.i. wel wat voor te zeggen om dat zo te houden. Vertraging van de procedure en te strikte belemmeringen m.b.t. bewijslevering zie ik dan ook niet zitten, althans niet zolang hoger beroep uitgesloten is. Nu dit laatste blijkens de kabinetsplannen binnenkort wel eens zou kunnen veranderen, zou het in dat geval het overwegen waard zijn om toch bepaalde termijnen te stellen voor het overleggen van producties.

Daarnaast zou ik een vurig pleidooi willen houden tegen pleitnota’s: die kunnen m.i. rechtstreeks de prullenbak in (althans als onderdeel van het procesdossier). De enige reden waarom die dingen nog geaccepteerd worden door rechters is omdat het ‘zo handig is voor de griffier.’ Voorwaar geen overtuigend argument tegenover het processuele nadeel dat verweerder lijdt door het toestaan van pleitnota’s in ontbindingsprocedures, zo lijkt me. Weg ermee dus. Scheelt de cliënt trouwens ook weer een uurtje op het factuurtje……

Comments are closed.